20/04 - Deel V: Onverwacht hemelwaarts

Herman Wijns 1931 - 1941

Herman Wijns, 'de kleine pastoor', overleed op 26 mei 1941, 10 jaar oud. Zijn wonderbaarlijke uitspraken als kleine jongen en de vreemde uitstraling van zijn graf op de oude begraafplaats in de Van Heybeeckstraat hebben er een pelgrimsoord van gemaakt.

Velen geloven dat Hermanneke geneest en rond zijn graf staan honderden dankbetuigingen van mensen die door hem van hun kwalen zouden zijn verlost.

Hij is zelfs al meerdere keren 'gezien' door moderne profeten en heeft tegen zeker een dame 'gesproken'.

Nog dagelijks wordt zijn graf door tientallen mensen bezocht en nog elke eerste vrijdag van de maand vindt er een massaal bezochte plechtigheid plaats.

Wanneer Herman Wijns op 26 mei 1941 niet was overleden aan de gevolgen van een hersenvliesontsteking na een verwonding aan zijn knie was hij vorige week (15 maart) wellicht 75 jaar geworden.

Maar er zijn dit jaar meer jubilea als het om Ons Hermanneke gaat.

Zaterdag 27 mei vindt er in de St. Bartholomeuskerk de 21e Herman Wijns-dag plaats en wordt de 65e sterfdag van Herman gevierd.

In zes afleveringen brengen we u daarom het leven van Herman Wijns.

Kruisbeeld
Zaterdag 24 mei 1941, het feest van O.L. Vrouw, begint voor Herman Wijns wondermooi, maar eindigt met een tragisch ongeval waaraan hij twee dagen later zal overlijden.

Herman vereert O.L. Vrouw.

De mis - die dag uiteraard aan O.L. Vrouw gewijd - was zeer mooi, vertelt hij aan zijn moeder terwijl hij zich klaar maakt om naar school te gaan.

Moeder zegt hem dat hij die avond alleen thuis zal zijn, want vader heeft een vergadering en zij gaat met een vriendin naar de cinema.

De laatste klassefoto: het 5e leerjaar (1940-1941) van St-Eduardus, bij broeder Eleazar

Herman vindt het geen probleem om alleen thuis te blijven, maar tijdens de middagpauze raadt hij zijn moeder ineens ten zeerste af naar de cinema te gaan.

Uiteraard wil moeder zich door haar tien-jarige zoon de les niet laten spellen, maar Herman volhardt en dreigt zelfs niet meer naar de kerk te zullen gaan als moeder toch naar de cinema gaat.

Na schooltijd kwam hij thuis met een groot, besmeurd en stinkend kruis van Jezus, dat hij ergens in een vuilbak had gevonden.

“Die smeerlappen,” roept hij, terwijl hij het probeert proper te maken.

“Ja, vake, ik heb wat meegemaakt,” vertelt hij naderhand aan zijn vader, die zijn verontwaardiging eerst niet begrijpt.

“Ik kom van school langs de Bredabaan en zie daar in een vuilnisbak een kruisbeeld. Ik dierf dat zomaar niet pakken... Ik ben er voorbij gegaan... Maar dan kon ik toch niet verder en ben ik teruggekeerd. Zo tot driemaal toe. Toen was het alsof ik Jezus hoorde roepen: 'Herman toch, gaat ge me hier in de vuilnis laten? Schaamt ge u over mij?' Toen kon ik het niet meer. Ik heb het kruis gepakt en ben naar huis gelopen.”

Vader vindt het eerst niet goed dat Herman het kruis op zijn kamer hangt; hij heeft tenslotte al een kruis boven zijn bed hangen.

“Maar vake, mag ik het op mijn kamer hangen? Uit eerherstel” probeert Herman.

Vader is verrast door die uitspraak en geeft toe.

Opgewekt rent Herman naar boven, timmert een nagel in de muur en hang het kruis boven zijn bed.

Twee uur later verongelukt hij.

Het ophangen van het kruis was zijn laatste bezoek aan zijn kamer.

Plaaggeesten
Nadat hij zich gewassen en verkleed heeft voor het Lof maakt Herman zijn huiswerk.

Voor hij naar de kerk gaat moet hij nog een brief afgeven bij de slager in de Borrewaterstraat, een groffe kerel die veel vloekt.

Dr. Maurice Timmermans, naar wie de zijstraat van de Bredabaan werd genoemd, was op de avond van de 24e mei de eerste arts die Herman behandelde

Herman gaat er niet graag heen en daarom stelt zijn moeder voor met hem mee te gaan.

Terwijl zijn moeder met de man spreekt gaat Herman met de twee zoontjes van de slager naar de kuikentjes in de tuin kijken.

De kuikentjes zaten achter een staande glasplaat die tegen een klein hokje stond.

Naast de slager nu woonde een vriend van Herman, Willy Gommeren.

Toen die Hermans stem in de tuin hoorde en zijn naam riep is Herman op het hokje geklauterd om met zijn kameraad te kunnen praten.

Het ging over de mis van de volgende ochtend, maar terwijl ze praatten sloeg het noodlot toe.

De zoontjes van de slager, twee plaaggeesten gelijk hun vader, hadden een rubberen bal met water gevuld en begonnen Herman ermee nat te spuiten.

Die wilde zijn goede kostuum droog houden en probeerde de waterstraal te ontwijken.

Is hij dan van het dakje gesprongen of is hij gevallen?

Het is onduidelijk.

Herman viel in ieder geval op de rechtopstaande glasplaat, die brak en een lange scherf drong van achteren zijn knieholte binnen.

Pees, zenuwen en een ader werden doorgesneden en door de vreselijke wond en het vele bloed was de paniek groot.

Voor het eerst alleen
Zijn moeder is op het geschreeuw afgekomen, treft haar zoon in de tuin met een verschrikkelijke wond aan zijn been, maar raakt niet in paniek.

In de St. Bartholomeusstraat, 100 meer verderop, woont dokter Duerinck en met de jongen in haar armen rent ze ernaartoe.

De dokter blijkt echter niet thuis te zijn en moeder kijkt radeloos om haar heen - naar Dr. Timmermans, ver weg op de Bredabaan is een veel te lange weg!

Een passerende Duitse officier ziet gelukkig haar paniek en schiet te hulp.

Het St. Bartholomeusziekenhuis in de Gasthuisstraat - tegenwoordig de Van Aertselaerstraat - waar Herman op maandag 26 mei 1941 overleed

Eerst legt hij een drukverband om de wond dicht te binden en dan houdt hij een fietser aan.

“Die vrouw kan niet meer. Neem de jongen op uw fiets en ga met hem naar de dokter,” beveelt hij.

Onderweg passeren ze Cinema Astoria op de Bredabaan.

Er staat al veel volk aan te schuiven, maar niemand bekommert zich om de angstige moeder met haar bloedende kind.

Waarom zei Herman dat zijn moeder niet naar de cinema moest gaan?

Dokter Timmermans begrijpt meteen de ernst van de situatie en laat Herman overbrengen naar het St. Bartholomeushospitaal in de (huidige) Van Aertselaarstraat.

Een chirurg daar onderzoekt de wond en zegt de verpleegster goed voor hem te zorgen: “Hij lijdt veel pijn zuster.”

Een groot probleem was dat penicilline pas na de tweede wereldoorlog algemeen bekend geraakte en dat er dus groot gevaar voor infectie was.

De glazen plaat was zeer vuil geweest en zat vol ziektekiemen.

Er volgde een nacht van angst en reddeloosheid voor vader en moeder Wijns, met hun zoon - voor het eerst van zijn ouders gescheiden - op de afdeling intensieve zorgen.

De dag erna - zondag 25 mei - is Herman opgewekt als zijn ouders hem (tijdens het bezoekuur!) komen bezoeken.

Hij maakt zich geen zorgen over een operatie of zelfs een eventuele amputatie van zijn been.

“Dan krijg ik een kunstbeen en daarmee kan ik ook gaan.”

Vader en moeder Wijns gaan enigszins opgewekt naar huis, maar dat verandert na de tweede nacht.

Het einde nadert
Het moet een zeer angstige nacht zijn geweest voor Herman, daar alleen in het gasthuis, met hevige pijn in zijn been en een snel verslechterende toestand.

Hij zal naar zijn moeder verlangd hebben en gebeden hebben dat alles weer snel in orde zou komen.

Waarom moest hem dit overkomen?

Vader Jozef Wijns naast de kist van zijn enig kind

Wanneer zijn ouders de volgende dag (maandag 26 mei) op bezoek komen treffen ze een heel andere Herman dan de dag ervoor.

Herman keek bedrukt en klaagde zelfs: “Ik leef hier niet graag...”

Hij maakte koorts terwijl zijn lichaam vocht tegen de voortschrijdende infectie.

Bovendien leek hij de hoop opgegeven te hebben, leek hij te weten dat zijn einde naderde, want wanneer zijn moeder zegt dat ze aan de broeders op school zal zeggen dat hij die dag niet naar school komt antwoordt hij: “Zeg maar dat ik nooit meer naar school zal komen.”

Zijn opmerking verbaasde zijn ouders en joeg hen schrik aan.

Dan maakt Herman een opmerking die hem volgens velen identificeert als iemand die in nauw contact staat met God.

Hij strekte zijn armen uit naar zijn ouders en sprak woorden die klonken als een afscheid.

“Och vake en moeke, hoeveel ik van u houd, dat heb ik deze nacht pas goed gevoeld, en hoeveel ik van de mensen houd. Zeg hen dat ik ze heel graag, heel graag, heel graag zie!”

Vader en moeder gaan naar huis en Herman praat nog wat met de zuster.

- “Ge zoudt wel gaarne met ze mee zijn gegaan, niet waar?”

- “Vroeger wel, zuster. Maar nu ik Onze Lieve Vrouw heb gezien, niet meer. Zij is zo mooi.”

Herman was bereid om naar de hemel te gaan.

In saecula saeculorum
Het nieuws over Hermans ongeval was inmiddels als een lopend vuurtje door Merksem gegaan, en veel mensen kwamen hem bezoeken.

Maar met Herman ging het snel bergafwaarts.

Pastoor Bamps kwam hem 's middags berechten en de zegen geven en toen onderpastoor Heymans later die namiddag aankwam in het gasthuis was Herman al niet meer bij bewustzijn.

De koorts was zorgwekkend hoog opgelopen en hij ijlde.

Pastoor Heymans was een van Hermans beste maatjes in de kerk en voorovergebogen over zijn bed hoorde hij zijn kleine vriend teksten uit de latijnse mislithurgie opzeggen.

Dominus illuminatio mea, et salus mea: quem timebo” (De Heer is mijn licht en mijn heil: wie zal ik vrezen).

Onrustig in zijn doodstrijd probeerde pastoor Heymans Herman wat gerust te stellen.

Hij pakte de hand van de jongen en zei: “Hermanneke, niet bang zijn, gij gaat recht naar Onze Lieve Heer.”

Verbazend was dat de jongen, buiten bewustzijn, antwoordde: “In saecula saeculorum, Amen.”

Woorden die hij zo goed kende uit de Mis: “In alle eeuwigheid”

Het waren zijn laatste woorden, want diezelfde avond overleed Herman Wijns, tien jaar oud, op de 26e mei 1941.

Alle aanwezigen waren zeer onder de indruk, zozeer zelfs dat de andere zieken op de zaal de zuster verzochten hem niet direct naar het lijkenhuisje te brengen, maar hem nog een tijdje op de zaal te laten liggen.

De dood was snel gekomen: zaterdag nog vol in het leven een kruisbeeld uit de vuilbak gered, maandagavond levenloos in de kliniek.

Voor de ouders was het plotse overlijden van hun enig kind een onuitsprekelijk verdriet, maar zoals enkele dagen later zou blijken was bijna heel Merksem aangedaan door het lot van de jonge misdienaar.

Arjan Plantinga
Vrij naar Avents/De Maeght

Foto's: Koninklijke Kring voor Heemkunde Merksem

Deel 1 - Zijn kinderjaren
Deel 2 - Een goede leerling
Deel 3 - Vroom, zo vroom
Deel 4 - De Misdienaar
Deel 5 - Onverwacht hemelwaarts
Deel 6 - Indrukwekkende uitvaart

Vrienden van Herman Wijns vzw
Alice Dierckx, voorzitter
Tel.: 0487 67 89 39
vriendenhermanwijns@gmail.com

Herinnerinsghuis:
Van Heybeeckstraat 23
2170 Merksem

terug start reageer lees de reacties
   

Omhoog

privacybeleid

Omhoog

©ALP

web
analytics

Adverteren