|
23/03 - Zijn
Kinderjaren
Herman weende niet Vader Jozef Wijns had een succesvolle varkensbeenhouwerij en charcuteriewinkel op de Bredabaan en was daarnaast vertegenwoordiger van verschillende buitenlandse vleeswarenfabrikanten. Het was een bekende zaak met klanten uit de wijde omgeving waar naast vader en moeder Wijns ook vier gasten hun job hadden.
Herman groeide op in de beenhouwerij van zijn ouders en al snel kende iedereen in Merksem het ventje, omdat hij bij goed weer door zijn moeder bij de winkeldeur werd gezet. Uren kon hij daar naar verluid zitten, samen met zijn hond Mus en de kat van de familie. Het kwam al eens voor dat vader en moeder Wijns in de drukte vergaten het kereltje eten te geven, maar naar het schijnt kwam er nooit een klacht over zijn lippen. Herman weende niet en zaagde niet. Hij trok zich terug op de zolder en verwonderde zich over de plaatjes in de oude gazetten, totdat men hem kwam roepen voor het avondeten, zo gaat het verhaal. Nonkel Mon De slagersjongens waren gek met het beminnelijke kereltje, namen hem mee op hun rondes en lieten hem dan voorop de fiets in de mand zitten. Naar het schijnt was Herman beste vrienden met iedereen. Hij moet een onbezorgde kindertijd gehad hebben, waarin het geloof en vooral zijn onkel Mon een centrale rol speelden. Herman hing aan de lippen van nonkel Mon als die vertelde en wachtte geduldig naast diens zetel of zelfs op zijn schoot wanneer hij, moe van het vertellen, een dutje deed.
Hermans favoriete spelletje was echter 'de mis spelen' met nonkel Mon. Het moet een koddig toneel geweest zijn: een man van in de vijftig die met een bel of een ratel in zijn hand de mis diende van een manneke van vijf, waarbij dan eens een pompbak, dan een kast of een tafel dienst deed als altaar. Het verhaal gaat ook dat wanneer de ouders van Herman 's avonds nog moesten gaan werken en de buren op hem pasten, de oudere kinderen daar er bijna om vochten om de kleuter bij zich te kunnen hebben. St-Eduardusinstituut De crisis van de jaren '30 deed zich ook in Merksem voelen en in 1938 - Herman was zeven jaar oud - moesten ze hun ooit zo florerende zaak op de Bredabaan sluiten. Toen Herman vijf jaar was vond vader Wijns het tijd om hem op school te doen. Niet direct in het eerste leerjaar. Nee, beter zou het zijn om hem eerst een jaar naar de kleuterschool te sturen. In de paasvakantie van 1936 ging pa Wijns daarom met zijn zoon naar de Broeder Bestuurder van het St-Eduardusinstituut. Die wilde liever dat Herman ineens naar de jongensschool zou gaan, maar zijn leeftijd was wat dat betreft natuurlijk een probleem. De Broeder Bestuurder twijfelde lang, maar gaf uiteindelijk toch toestemming om Herman het laatste trimester van het voorbereidende leerjaar te laten meedoen, maar niet voor hij de kleuter een klein testje afnam.
Hermanneke, waar woon je? vroeg de Bestuurder. Op de Bredabaan 422, antwoordde Hermanneke. Ha ja, dat is tegen de Oude Bareel, niet waar? Nee, zei de kleine rustig. Dat is tegen het gemeentehuis. Och ja, dat is waar ook. Dat is daar waar tram 12 en 17 rijden, niet waar? probeerde de broeder. Nee, antwoordde Herman weer, tram 3 en 23. Och ja, dat is waar ook. De kleine plagerij was voldoende voor de Broeder Bestuurder om te weten wat voor vlees hij in de kuip had, en Herman mocht na de paasvakantie naar school. In het laatste trimester van het voorbereidende studiejaar deed hij het vervolgens zo goed dat er geen sprake van was dat Herman na de zomer in het voorbereidende studiejaar zou beginnen. Hij werd meteen toegelaten tot het eerste leerjaar, als knulleke van vijf jaar oud. Arjan Plantinga Foto's: Koninklijke Kring voor Heemkunde Merksem Lees ook:
Deel
1 - Zijn kinderjaren Vrienden van Herman Wijns vzw Herinnerinsghuis: |
|
|
|
||