|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
12/04 - Heren van Merksem
De oorlog tussen de Hollanders en de Spanjaarden had aan het einde van de 16e eeuw een zware tol geëist van Antwerpen en de wijde omgeving. Merksem lag verbernd, gedemolieerd, verdestrueerd, merkt een geschiedschrijver uit die dagen op.
Nadat het dorp in 1585 vrijwel geheel verwoest was durfden de eerste bewoners pas in 1607 terug naar hun hoeven. Meer dan 20 jaar lag Merksem er dus leeg en verlaten bij. Alleen overdag waagde men zich in die jaren buiten de stadsmuren van Antwerpen, om het land te bewerken of langs een drukke weg een herberg open te houden voor de vele reizigers. In 1617 was men begonnen met het herbouwen van de St. Bartholomeuskerk - een werk dat in 1630 werd voltooid - maar toen in 1621 de oorlog weer opflakkerde begon de ellende opnieuw. De 'eigenaren' van Merksem - de schuldeisers van de Van Stralens - waren niet in staat hun eigendom weer in een rendabele staat terug te brengen vanwege de schattingen die betaald moesten worden aan de roversbenden uit Bergen-Op-Zoom. Niet betalen betekende dat het dorp werd platgebrand en geplunderd. In de jaren '30 kwamen er overstromingen bij omdat de Hollanders enkele Scheldedijken hadden doorgestoken en vanaf 1633 voerden de rovers de belastingen die zij van de totaal verloederde plattelandsgemeenschappen eisten ook nog eens op. Pas door de Vrede van Münster (1648) keerde de rust weer. Het kasteel wordt gerenoveerd Van wie en hoe precies hij Merksem kocht zullen we u besparen - we zouden er een aparte reeks artikelen aan moeten wijden - maar feit is dat de schatrijke ridder direct voortvarend te werk ging om zijn nieuwe eigendom te herstellen.
In januari 1642 liet hij werklieden de schade aan het kasteel van Merksem opnemen en herstellen. Die was door de plunderingen van 1585, vijftig jaar verwaarlozing en overstromingen aanzienlijk, maar al eind 1642 is het kasteel zo ver hersteld dat het bewoond kan worden. Kosten van de renovatie: 11.000 gulden (700.000 euro). Ridder Jacques Van Parijs laat er zijn zussen Anna en Suzanna in wonen en stelde in datzelfde jaar ook een schepencollege aan. Toch deed hij pas op 11 juni 1647 - nog tot 1646 maakten Hollandse rovers de omgeving onveilig - officieel zijn intrede als Heer van Merksem en Dambrugge en werd hij volgens de gewoonte afgehaald aan de stadspoort door de plaatselijke notabelen. Grootste probleem voor de bestuurders van Merksem in die dagen was het Scheldewater dat door de slechte staat van de dijken met grote regelmaat de lage - en soms ook de hoge - delen van Merksem onder water zette.
Een van de grootste verwezenlijkingen in die dagen was dan ook het aanleggen van de Ferdinandusdijk - het gelijknamige straatje dat we nu nog kennen is er een overblijfsel van - die er vanaf 1652 voor zorgde dat laag-Merksem droog leef. Verder liet Jacob Van Parijs een grote grafkelder voor zijn familie bouwen in het koor van de St. Bartholomeuskerk. Daar werd hij in 1655 (?) begraven, maar niet voordat hij de heerlijkheid van Merksem en Dambrugge overdraagt aan zijn zoon, Filips Van Parijs. Die trouwt in hetzelfde jaar met de dochter van de schilder Pieter Paul Rubens en Hélène Fourmont, Clara Joanna Rubens. Merksem had in dat jaar alweer 300 inwoners. Investeren in de kerk Werd onder het heerschap van zijn vader al een begin gemaakt met het herstel van Merksem, zo zette Filips dit in de tweede helft van de 17e eeuw verder, vooral door kredieten aan de dorpsbewoners te geven om werkzaamheden uit te voeren. Ook zorgde hij ervoor dat er weer inkomsten waren door de opbrengsten van de heerlijkheid weer onder zijn beheer te brengen. Naast goed financieel beheer droeg hij ook een serieus steentje bij aan het verder heropbouwen van de St. Bartholomeuskerk. Zo leverde hij in 1655 het hout voor de afronding van de klokkentoren en betaalde hij ook het kunstige gestoelte in de kerk, een waar kunstwerk. Nog vandaag zien we het wapen van de familie in veel houtsnijwerk in de kerk - houtsnijwerk dat in opdracht van Filip Van Parijs werd uitgevoerd.
Toch kon ook hij niet verhinderen dat veel Merksemse ambachtslieden uit Merksem verdwenen door een protectionistische politiek van het Antwerpse stadsbestuur. Dat dwong de landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden namelijk op 10 november 1685 tot het verbieden van de ambachten in Merksem en Dambrugge. Deze maatregel heeft ertoe bijgedragen dat Merksem net als de andere buursteden van Antwerpen lange tijd achterbleef in zijn ontwikkeling en had onder andere tot gevolg dat de vele brouwerijen in Dambrugge verdwenen. Oorlog van kwaad tot erger Heel Europa vloog elkaar links en rechts in de haren en Merksem lag meer dan eens in de vuurlinie.
Wanneer dit niet het geval was viel men ten prooi aan soldaten op doortocht - woeste, ongedisciplineerde, uitgehongerde bendes die een stad of dorp na hun doortocht meestal in totale ontreddering achterlieten. Om aan plundering en ander erg te ontkomen betaalde men de soldaten grote sommen geld, maar omdat Merksem op een zeer drukke route lag - de Bredabaan was de verbindingsweg tussen Antwerpen en Breda - was het op den duur nauwelijks nog op te brengen. Zo leende de gemeente in 1672 300 gulden (18.000 euro) van de parochie tot redemptie en uitkoop van de garde van Z.Exc. De Monterey, nota-bene gouverneur van de Spaanse koning. In 1674 trokken de troepen van Willem III van Oranje kort na elkaar - heen en terug - vele dagen door Merksem. In 1677 eisten Franse troepen een contributie van Merksem. Nadat op 15 april in Ekeren 20 huizen werden platgebrand omdat men niet had betaald leende de gemeente nog eens 600 gulden van de kerk om de Fransen af te betalen. Daarmee was het echter niet gedaan. De dragonders van de graaf van Waldeck (1678), ruiters van de Prins van Oranje (1678), voetvolk van de Markies de Grana (1683 en 1684), de legers van de koning van Engeland en de Antwerpse gouverneur Maximilliaan Emmanuel van Beieren (1688) zorgden voor nieuwe verschrikkingen voor de Merksemse bevolking. De laatste twee bleven zelfs enkele weken omdat de twee vorsten vredesbesprekingen hielden in Merksem. Merksem was op die momenten overgeleverd aan de willekeur van het woeste volk en kon op niemands bescherming rekenen. De landvoogden van de Habsburgse vorsten waren zwakkelingen en eigen schutterij durfde niet op te treden tegen de machtige legers. In Stekene waagde de plaatselijke bevolking zich eens te verzetten, hetgeen een vreselijke slachtpartij onde de boerenbevolking tot gevolg had. Naast de steeds weerkerende, plunderende legers was er ook nog eens de pest en de hongersnood ten gevolge van mislukte oogsten of leeggeroofde velden wanneer de troepen de gewassen afmaaiden om hun paarden te voeren. Filips Van Parijs toonde zich in deze kwesties geen goed heerser, want wanneer de legers door Merksem trokken zat hij veilig in zijn huis binnen de Antwerpse stadsmuren. Ook voor verzoeken om geld om de soldaten af te kopen gaf hij niet thuis. Filips Van Parijs stierf op 4 oktober 1699, en werd begraven in het familiegraf in de St. Bartholomeuskerk, net als zijn echtgenote die al op 24 maart 1689 was overleden.
De vijf kinderen van Filips en Clara Rubens hadden geen interesse in de heerschappij van Merksem en Dambrugge, en ze verkochten hun rechten dan ook op de vrijdagse markt in Antwerpen. De koper was een adelman uit Wilrijk, Gijsbrecht Hoybergen. Hij telde 45.600 gulden neer voor de heerlijkheid, die op dat moment 450 inwoners had. Omgerekend naar huidige maatstaven is dat ongeveer 3 miljoen euro. In de tijd van Van Hoybergen lag Merksem in de frontlinie van de in 1702 begonnen Spaanse Successieoorlog. De Franse verdedigingslinie les lignes, in de volksmond de linnekes, liep dwars door Merksem waardoor Merksem telkens van de regen in de drup viel en weer zware tol moest betalen. Daarover volgende week meer. Arjan Plantinga Foto's: Koninklijke Kring voor Heemkunde Merksem
|
|
|
|
|
||